Bekijk de Buurt Radar

de Wijkwebsite voor Nijmegen-Oost

Meld je aan!

Probleem, vraag of iets nodig?

 
RSS       Wat heb je hieraan?

Mijn eerste nachtmis

Het was misschien niet de allereerste, maar wel de eerste Kerstnachtviering die ik me herinner. Dat is nu zestig jaar geleden, Kerstmis 1944. De echte Hongerwinter moest nog beginnen maar de voortekenen waren er al. Electriciteit was bijvoorbeeld schaars; bovendien brandde de straatverlichting niet vanwege bombardementen. Gas was op rantsoen en sowieso was aan brandstof bijna niet meer te komen.

 

Door Seph Schreurs

 

Omdat ook de tram niet reed moesten we te voet naar de kerk want we hadden maar één fiets; die van Vader. Hij had een vergunning vanwege zijn beroep: kerkorganist en dirigent. Die van Moeder was een tijdje daarvoor in beslag genomen door de bezetter.

Toen we buiten kwamen sneeuwde het behoorlijk en de maan gaf gelukkig genoeg licht om de weg te vinden. Wij woonden in Amsterdam-Zuid, achter Het Concertgebouw en Vaders kerk stond aan het Waterlooplein; niet bepaald naast de deur, dus. Gaandeweg werd het dan ook steeds minder sprookjesachtig, het was koud en ik kreeg natte voeten ondanks het stuk karton in m’n schoenen. Tot overmaat van ramp voelde ik me hongerig en als je pas zes bent valt dat helemaal niet mee.

 

Midden in de winternacht…

Alles veranderde toen we de Blauwbrug over de Amstel overkwamen: aan het eind van een besneeuwd Waterlooplein stond de Mozes met de twee torens en zuilen. Af en toe viel er een glimp licht tussendoor als iemand de kerk binnenging. Alleen bij de pastorie was hier en daar een enkel theelichtje in een vensterbank te zien; voor de rest was alles donker. Maar binnen brandden er volop stompjes kaars, waxinelichten en oliepitjes in de luchters.

 

De kerk zat al stampvol als nooit tevoren ondanks het gebrek aan vervoer. Iedereen zat dik ingepakt omdat ook de verwarming niet brandde; fluisterend werd hier en daar gepraat maar voor het overige was het heel stil. Er klonk zelfs geen orgel; een van de koorleden maakte me duidelijk, dat daar de windmachine voor nodig was. Die moest elektrisch aangedreven worden en omdat er geen stroom was deed die motor het dus ook niet. Toen ik vroeg waarom Oom Jan (want alle koorleden, inclusief de organist waren ooms voor mij) er dan toch was, hield hij een vinger voor zijn lippen en fluisterde: “wacht maar af!”.

Even later keek Vader op zijn zakhorloge en gaf de zangers een teken. Ze kwamen zachtjes naar hun plaats en toen beneden de deur naar de sacristie openzwaaide begon ineens het orgel te spelen; zonder het gebruikelijk geraas van de antieke windmotor. Hoe was dat nou mogelijk?

 

Iemand fluisterde in m’n oor: kom eens even mee kijken! Het was Oom Tom, die gemerkt had, dat ik er niets van snapte. Hij nam me mee naar het halletje waar de windmachine stond te slapen; daarnaast was een deurtje, dat ik nog nooit open had gezien. Voorzichtig deed Oom Tom het open en meteen weer achter ons dicht. Vier mannen leken te staan fietsen op lange planken. Het kostte hen heel wat kracht om dat in een gestaag tempo vol te houden. Oom Tom zei, dat het net zo werkte als een fietspomp; deze noeste werkers pompten wind in de enorme balgen in plaats van de windmotor. Van daaruit werd die verspreid door het hele orgel en kon er dus toch nog gespeeld worden!

De rest van de Nachtmis heb ik netjes alle kerstliederen meegezongen en me verbaasd over dat wonder-orgel. Onder het terugwandelen naar huis hoorde ik van Vader, dat dit vroeger altijd zo gebeurde, totdat de windmachines waren uitgevonden. Meestal werden dan die trapinstallaties gesloopt, maar in enkele kerken waren ze blijven zitten. Een fijnere kerstnacht heb ik in de rest van mijn leven nooit meer meegemaakt.

 

 

 

MijnBuurt.je