De Wijkwebsite voor Nijmegen-Oost

Meld je aan!

Wijkgids (251 deelnemers)

Laatste wijkclip

Ook zo'n mooie website voor uw wijk? Klik hier!

Zoek in deze site

 
RSS       Wat heb je hieraan?

Rechtswinkel: Onrechtmatige daad (in groepsverband)

Jan, Piet en Klaas zijn op donderdagavond tijdens de Vierdaagse een biertje gaan drinken aan de Waalkade. Zij besluiten een ommetje te maken. Plotseling, zonder dat daartoe enige aanleiding bestaat, geeft Jan een voorbijganger een forse klap. De voorbijganger loopt daarbij letstel op. Jan, Piet en Klaas vervolgen hun weg. Zij vernielen en passant enkele autospiegels. Bij het passeren van een huis gooit Piet een rotje door de brievenbus. Het gevolg is dat er in het huis van Karel Kwak brand uitbreekt, die leidt tot een schade van € 20.000,-. Jan, Piet en Klaas worden vervolgens ingerekend door de politie. Op het politiebureau leggen zij een volledige bekentenis af.

Door Marijn Wildenbeest

De vraag is nu wie de voorbijganger en meneer Kwak kunnen aanspreken tot vergoeding van de door hen geleden schade. Uw rechtsgevoel brengt u waarschijnlijk al een heel eind op weg. Hier volgt een juridische uitwerking van deze casus. Het gaat hier niet om een mogelijke vervolging in het kader van het strafrecht, maar om schadevergoeding op grond van het burgerlijk recht.

Allereerst bespreek ik wie de voorbijganger kan aanspreken voor de geleden schade. De eerste mogelijke grond voor aansprakelijkheid is de onrechtmatige daad van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens lid 1 van dit artikel is namelijk degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Jan zou dan degene zijn die de schade moet vergoeden. Er moet dan aan een vijftal vereisten worden voldaan. Allereerst moet er sprake zijn van een onrechtmatige daad in enge zin. Als onrechtmatige daad worden ingevolge artikel 6:162 lid 2 BW aangemerkt: een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het tweede vereiste voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is dat deze daad toerekenbaar moet zijn aan de dader. Volgens artikel 6:162 lid 3 kan een onrechtmatige daad aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Verder moet er schade zijn, moet er een causaal verband bestaan tussen de onrechtmatige daad en de schade en tot slot moet er aan de relativiteitseis van artikel 6:163 worden voldaan. Bij dit laatst vereiste is de vraag of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

Is er in dit geval sprake van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW? Allereerst is er sprake van een onrechtmatige daad in enge zin zoals omschreven in artikel 6:162 lid 2. Er is immers een inbreuk gemaakt op een subjectief recht van de voorbijganger; zijn lichamelijke integriteit is aangetast. Bovendien is er sprake van strijd met een wettelijke plicht, namelijk artikel 300 e.v. Wetboek van Strafrecht (mishandeling). Hiermee is voldaan aan het eerst vereiste. Het tweede vereiste is de toerekenbaarheid van de dader, in dit geval Jan. Jan geeft de voorbijganger opzettelijk een forse klap. Aan het tweede vereiste is dan ook voldaan; de onrechtmatige daad is te wijten aan de schuld van Jan. De voorbijganger heeft letselschade opgelopen en deze schade is veroorzaakt door de klap. Aan het derde en vierde vereiste is derhalve ook voldaan. Tot slot het relativiteitsvereiste. De geschonden norm strekt wel tot bescherming van de schade van de benadeelde. Aan de relativiteitseis is dus ook voldaan. Nu aan alle vereisten voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW is voldaan, kan de voorbijganger Jan (met succes) aansprakelijk stellen voor de opgelopen letselschade.

Kan de voorbijganger ook de andere twee jongens, Piet en Klaas, nog aanspreken tot vergoeding van de geleden schade? Dit is alleen mogelijk als er sprake is van een onrechtmatige daad in groepsverband. In artikel 6:166 BW wordt deze bijzondere vorm van aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad behandeld. Wanneer in groepsverband wordt opgetreden en een of meerdere leden van de groep plegen een onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW, dan zijn alle leden van de groep hoofdelijk aansprakelijk. Ook die leden van de groep die de onrechtmatige handeling niet hebben verricht. In dit geval hebben Piet en Klaas zelf geen onrechtmatige daad gepleegd, maar zij zouden aansprakelijk kunnen zijn wegens de enkele overtreding van de norm dat "de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband". Een groepslid kan zich op die manier alleen aan de hoofdelijke aansprakelijkheid onttrekken wanneer hij zich bij dreiging van een onrechtmatige daad aan de groep onttrekt. Voor groepsaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW is een werkelijk causaal verband tussen het groepsoptreden en het toebrengen van schade niet vereist. Door overschrijding van de norm staat niet alleen de onrechtmatigheid van de betrokken deelnemer vast, maar ook het feit dat er voldoende verband bestaat tussen zijn groepsdeelneming en het toebrengen van de schade. In dit geval zouden Piet en Klaas zich kunnen verweren door te stellen dat zij niet hadden kunnen voorzien dat Jan de voorbijganger een klap zou geven. Immers, de kans op het "aldus toebrengen van schade" moet zodanig zijn geweest dat zij Piet en Klaas had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Dit impliceert dat zij alleen aansprakelijk kunnen zijn als zij wisten of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor schade zoals die aan de voorbijganger is toegebracht. Jan gaf de voorbijganger opeens een klap. Daar bestond geen enkele aanleiding voor. Piet en Klaas hadden dit niet kunnen voorzien en wisten zij niet en hoefde zij niet te begrijpen dat hun groepsoptreden het gevaar schiep voor schade zoals die is toegebracht. Op grond hiervan is geen sprake van groepsaansprakelijkheid. De voorbijganger kan alleen Jan aansprakelijk stellen op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).

Dan nu de vraag wie meneer Kwak kan aanspreken tot het vergoeden van de door hem geleden schade. Allereerst kan hij Piet (met succes) aansprakelijk stellen voor de schade op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Hier is duidelijk sprake van een onrechtmatige daad die aan Piet kan worden toegerekend en derhalve zal hij de schade moeten vergoeden. Ook bij dit voorval pleegt slechts één van de drie jongens de onrechtmatige daad. Zijn de andere twee jongens, Jan en Klaas in dit geval wel aansprakelijk op grond van groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW)? Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend. In dit geval gaat een verweer als "dit hadden we niet kunnen voorzien" niet op. De jongens waren zeer baldadig bezig. Nadat Jan de voorbijganger heeft geslagen zijn ze verder gelopen en hebben ze vervolgens een aantal autospiegels vernield. Jan en Klaas hadden moeten begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor schade. Deze kans was duidelijk aanwezig en dit was absoluut te voorzien. De gedragingen kunnen derhalve aan hun worden toegerekend en zij zijn alledrie hoofdelijk aansprakelijk. Meneer Kwak kan van alledrie de jongens schadevergoeding vorderen.

Mocht u nog vragen hebben over het bovenstaande of andere juridische relevante zaken dan bent u welkom op 1 van onze spreekuren. Deze zijn op maandag- en woensdagavond van 19.00 - 20.00 uur en op zaterdagochtend van 10.30 - 12.00 uur aan de Daalseweg tegenover de Albert Heijn.

Powered by Tromik Webdesign